Menu Sluiten

De bodem als spons

Initiatieven om natuur en landbouw beter bestand maken tegen droge periodes

De Nederlandse bodem kampt al decennia met tal van problemen zoals droogte, wateroverlast, daling, verzilting, stikstofbelasting, teloorgang van biodiversiteit. Een belangrijk afweermiddel van bedreigingen is verbetering van de befaamde sponswerking.

De bodem is de basis onder ons bestaan. We hebben die basis decennialang uitgebuit en verwaarloosd. In stedelijk gebied vormen asfalt en beton een afsluitende deksel die goed functioneren in de weg zit. De stedelijke infrastructuur van leidingen en kabels eist ondergronds veel ruimte op, net als nieuwe vormen van duurzame energie zoals warmte / koude opslag. En hoewel veel grond is gesaneerd, is de bodem op veel plaatsen in Nederland nog vervuild met niet-afbreekbare stoffen.

Op landbouwgrond zijn de gevolgen van intensieve teelt en monocultuur evident. Het bodemleven wordt door wetenschappers vaak ‘zo dood als een pier’ genoemd. De biodiversiteit is verarmd door de eindeloze groene vlaktes van het hoogproductieve Engels raaigras – ‘grasfalt’ wordt het al genoemd – dat de Frysian Holstein koeien aanzet tot recordhoeveelheden melk.

Een onderbelicht aspect dat zich nu in toenemende belangstelling mag verheugen, is het belang van een goede bodem voor de waterhuishouding. Vanaf de periode Mansholt is de Nederlandse landbouw door ruilverkaveling en de grootschalige landbouw de tweede voedselexporteur ter wereld geworden. Water was bij al die ontwikkelingen geen hoofdzaak. Boeren gingen er tot nog toe vanuit dat er niet te veel maar ook niet te weinig water voorhanden was op de akker in de cruciale groeifase van de ui, aardappel, biet of tarwe.

WEGPOMPEN EN BEREGENEN

De vraag is hoelang de gangbare maatregelen van wegpompen maar ook oppompen, beregenen en doorspoelen, soelaas bieden voor dit imposante maar kwetsbare landbouwsysteem. De boeren zien op hun eigen land de bedreiging van de klimaatveran-dering met extremen in nattigheid in de winter en droogte in voorjaar en zomer.

Het bewustzijn groeit dat een aangepast waterbeheer en een gezonde bodem cruciaal zijn om de extremen het hoofd te bieden.

Boeren zien de laatste jaren heel goed dat het beregenen van hun akkers niet langer uitkomst biedt om droge perioden door te komen.

ORGANISCH MATERIAAL

Daarom staan steeds meer boeren welwillend tegenover verbetering van hun bodem. Bijvoorbeeld door meer organisch materiaal – compost of vaste mest – in te brengen, versterken ze het watervasthoudend vermogen van de grond. Water blijft als het ware aan het organisch materiaal plakken en dat werkt daarna als een spons. Langzaam geeft het water af aan de plantenwortels. Maar de compost is in die bovenste bodemlaag ook direct een meststof voor de plant. Bijvoorbeeld in het project Spaarbodem in Groningen en Friesland bekwamen boeren zich in de droogtebestrijding door organische stof in de bodem te brengen.

Ook het bodemleven heeft er baat bij, de regenworm voorop. Die vreet de compost, blad en zelfs gronddeeltjes. Hij poept het als mest uit, onderwijl gangetjes gravend waardoor de luchtdoorlatendheid verbetert en de plantenwortels beter zuurstof kunnen opnemen. In het onderzoeksprogramma Lumbricus (Latijn voor regenworm) is vanaf 2016 in twee ‘proeftuinen’ op de hoge zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland onder meer ervaring opgedaan met het verbeteren van de bodem en de waterhuishouding, om zowel natuur als landbouw beter bestand te maken tegen droge periodes.

De naam Lumbricus is een ode aan het dier dat door zijn ondergrondse gewoel het bodemleven verrijkt, gewassen in staat stelt dieper te wortelen en regenwater dieper in de bodem laat zijgen.

Niet de bekende, meer aan de oppervlakte levende regenworm, maar vooral de pendelende regenworm, rood van kleur, is belangrijk. Volgens onderzoekers is de worm uitgerust met ‘een kop als een diamantboor’ en kan wel tot drie meter diep leven. Hij boort gerust door bedolven puin heen. Door deze gangen kan water dieper in de grond infiltreren.

LICHTERE KOEIEN

In de veeteelt wordt veel heil verwacht van lichtere koeienrassen als Jersey en Blaarkop. De eerste levert minder, maar wel eiwitrijkere melk en kan goed tegen natte voeten, waardoor het grondwaterpeil hoger kan. Daardoor oxideert minder veenweidegrond, daalt de bodem dus minder en ontwijkt er minder CO2 en kan de biodiversiteit op het grasland toenemen. Weidevogels hebben profijt van dergelijke drassige maatregelen. Ook in droge tijden kunnen zij met hun lange snavel beter aan voedsel komen dan in een keiharde, uitgedroogde toplaag. In een groot, langlopend onderzoek op de hoogwaterboerderij in Zegveld wordt hiermee geëxperimenteerd.

Er vinden proeven plaats met teelten die goed tegen de nattigheid van de hoge grondwaterstand kunnen, zoals lisdodde, cranberry (veenbes) en andere grassoorten dan raaigras. De oogst van lisdodde levert een isolerende vezelplaat voor woningen.

Cranberry’s hebben een medicinale werking onder andere tegen blaasontsteking. En als bij de traditionele mix van meest raaigras smalle weegbree (zie afbeelding 1) wordt meegezaaid dan daalt de uitstoot van stikstof door de koeienmest met dertig procent.

Mooi meegenomen als je kijkt naar het stikstofprobleem van de melkveesector.

DRAINAGE

En er zijn meer aanpassingen van het watersysteem mogelijk voor de landbouw waarbij de bodem een cruciale rol speelt.

‘Klimaatadaptieve drainage’ is een andere technische innovatie die in het Lumbricus-project bij een zevental boeren is getest. De drainagebuizen worden niet alleen gebruikt om in te natte omstandigheden water af te voeren, maar ook om het water juist vast te houden in naburige sloten en aangelegde putten. In tijden van droogte kan de boer water terug in zijn drainagesysteem pompen en naar zijn gewassen voeren.

In een andere proef in het Overijsselse Stegeren wordt oppervlaktewater uit de regio bij een boer in het perceel gebracht door een pomp die werkt op twee zonnepanelen met een accu. Voordeel van deze ondergrondse watertoevoer via drainagebuizen is dat het water direct bij de wortels van het gewas komt en er geen water verdampt, zoals bij de bovengrondse beregeningsinstallaties. Het is allemaal nog in een testfase en er zijn nog veel vragen over de effecten van deze maatregelen, óók voor de aanpalende natuur.

Stilaan ontstaat echter een steeds groter palet aan maatregelen om de droogte door te komen.

OPSLAGVAT

De bodem kan ook direct als een opslagreservoir dienen. Het overschot van regenwater in de winter zouden we veel meer in de bodem kunnen bergen om het in tijden van droogte en verzilting aan te wenden. Steeds meer boeren en tuinders vangen daarom regenwater op en slaan het op in natuurlijke ondergrondse waterbellen of in bovengrondse bassins. Zo vangen 25 tuinders in het Westland samen 14.000 m3 regenwater op om het in tijden van droogte langer uit te zingen. Zijn de bassins vol, dan pompen ze het water in de ondergrond.

In het project Coastar in Zeeland laten onderzoekers zien dat overtollig regenwater niet naar zee moet, maar kan worden opgeslagen in sloten en in oude kreekruggen onder akkers. Onder een proefveld blijkt in een paar jaar de zoetwatervoorraad flink toe te nemen. Het drukt het zilte water naar beneden en helpt de boeren bij irrigatie van hun gewassen.

In Dinteloord loost de Suiker Unie na de bietencampagne sinds 2013 niet langer de tienduizenden m3 gezuiverd afval- en bietenwater op het riviertje de Dintel. Het wordt nu nog verder gezuiverd en gedurende de bietencampagne in een ondergronds zoetwaterreservoir gepompt dat 300.000 m3 water kan bergen.

Tuinders in het aanpalende grootschalige kassencomplex Nieuw Prinsenland kunnen in tijden van voorjaars- of zomerdroogte dit water oppompen voor irrigatie. Ze slaan al regenwater op in grote bassins, maar als het lang niet regent is dit ondergrondse bietenwater een welkome aanvulling, zo bleek de laatste jaren.

Is er met een dergelijke klimaatrobuust gebruik van de bodem nog wel landbouw mogelijk? Jazeker, maar voor een deel op een andere manier dan nu het geval is. De overheid moet het initiatief nemen en sturen. Concrete stappen van de overheid zouden kunnen beginnen met een systematisch onderzoek naar welke percelen of gebieden het meest gebaat (of het minst geschaad) zijn bij een stijging van het grondwaterpeil. Vervolgens kan een keuze volgen uit het palet van bedrijfsmodellen dat de hoogwaterboerderij gaat opleveren. Natte teelt met Jersey en lisdodde, bijvoorbeeld, of Blaarkop en cranberry. Kortom een spectrum tussen conventionele melkveehouderij, natuurinclusieve landbouw, landbouwinclusieve natuur en ‘pure’ natuur, met de bodem en het watersysteem als ordenend mechanisme.

——–

Nederland Droogteland

In het begin 2021 verschenen boek ‘Nederland Droogteland’ beschrijft wetenschapsjournalist René Didde de fnuikende gevolgen van verdroging, verzilting en verzakking in de natuur, landbouw, drinkwaterbereiding, industrie en grootverbruik, scheepvaart en de stad.

Zeker na opeenvolgende droge jaren trekt de droogte een grote wissel. Er zijn echter vele oplossingen. Het boek laat zien dat we het vernuft dat we gedurende eeuwen hebben opgebouwd in het afweren van water ook kunnen benutten om de droogte het hoofd te bieden.

De bodem speelt daarbij een belangrijke rol als opslagplaats. Infiltratie in zandlichamen, aquifers in stedelijk gebied kunnen het overschot aan water in de winter bergen, om het tevoorschijn te halen in periodes van watertekort.

Voorwaarde is wel dat de overheid eindelijk meer serieus werk maakt om ‘verkeerde functies op de verkeerde plaats’ te herordenen. Dat moet gebiedsgericht worden uitgevoerd, met landelijke richtlijnen en regelgeving.

Download dit artikel in ‘Bodem’ als pdf