Onderzoekers hebben 250 middeleeuwse vloeivelden in Nederland ontdekt. De Technische Universiteit Delft wil bekijken of ze deze vorm van waterbeheer opnieuw kan inzetten.
Vloeivelden zijn een traditionele techniek om graslanden te bewateren. Ze zijn terug te vinden op vooral reliëfrijke delen van de hogere zandgronden in Drenthe, Twente, Gelderland en Zuidoost-Brabant. Maar bijvoorbeeld ook in Noord-Holland.
Dat blijkt uit de kaart die woensdag tijdens een bijeenkomst bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed in Amersfoort openbaar wordt gemaakt. Onderzoekers van de provincie Overijssel en landgoed Het Lankheet hebben aan hand van historische gegevens 250 vloeivelden gevonden in Nederland.
De vloeivelden werden ingezet in de periode van de late middeleeuwen tot het einde van de negentiende eeuw. De kaart toont zelfs nog vroegere bevloeiingen van polders rond de voormalige Zuiderzee en langs binnenduinranden.
Vloeivelden werden ingezet om overvloedig regenwater in de winter uit beken zo hoog mogelijk op de stuwwal in hooiland op te vangen. “Het water beschermde het grasland tegen strenge vorst en voorkwam dat de wortelzones van het gras bevroren”, zegt onderzoeker Eric Brinckmann.
Brinckmann is ook beheerder van landgoed Het Lankheet in Haaksbergen, waar nog twintig hectaren aan vloeivelden in werking is. Er functioneert in Nederland nog een tweede vloeiveld bij Bergeijk in de Brabantse Kempen. Sinds november vorig jaar is de bevloeiingspraktijk benoemd tot Unesco-erfgoed, samen met nog werkzame vloeivelden in zes andere landen.
Vet water zorgt voor extra gras
De boeren uit de middeleeuwen leidden in het voorjaar water uit bronnen en beken via kanaaltjes naar het grasland en lieten het daaroverheen weer terug naar de beek stromen. “Het mineraalrijke beekwater vol slibdeeltjes was eigenlijk een manier om het grasland te bemesten. Dit ‘vette water’ leverde de boer in het voorjaar gerust een extra snede gras op”, vertelt Brinckman.
Het was slim gebruik van het landschap. Boeren vonden de meest geschikte plekken om het water in verzamelbekkens op te vangen. “Ook wisten ze precies het micro-reliëf van natuurlijke, door ijstijden gevormde dekzandruggen te volgen. Sloten die hoog langs de flanken ervan liepen, leverden als een soort sprengen [een door mensen gegraven of verlegde beek, red.] extra water voor de lager gelegen hooilanden.”
Ook nu kunnen vloeivelden uitkomst bieden. In de recente droge zomers vanaf 2018 was het gras op landgoed Het Lankheet groener dan bij de buren. Vochtsensoren en DNA-analyse van het bodemleven tot en met schimmels tonen bovendien de aanwezigheid aan van gezonde levensgemeenschappen met een grote biodiversiteit. De grasbodems houden extra regen en veel CO2 vast, en stoten minder notoire klimaatgassen uit zoals methaan en lachgas, aldus Brinckmann.
Ook een middel tegen overstromingen
Vloeivelden zijn ook een probaat middel tegen wateroverlast, zo bleek bij de bijna-overstroming van Deventer in januari dit jaar. Brinckmann: “We hebben in overleg met waterschap Rijn en IJssel tien hectare gevuld met water uit de Buurserbeek dat via de Schipbeek naar Deventer stroomt.”
Daar klotste ook de IJssel hoog tegen de kades. “Onze vloeivelden inzetten als piekberging heeft er zeker aan bijgedragen dat Deventer droge voeten hield.”
De TU Delft wil met de vondst van de vloeivelden een kansenkaart maken voor actuele toepassing in ruimtelijke vraagstukken. “Mogelijk kunnen gerestaureerde vloeivelden op de zandgronden bijdragen aan klimaatopgaven zoals waterberging en grondwateraanvulling”, zegt hoogleraar Landschapsarchitectuur Steffen Nijhuis. “Dit landschappelijke erfgoed zou een rol kunnen krijgen in nieuwbouwwijken in bijvoorbeeld Twente, waar het bijdraagt aan wateropslag en verkoeling, en hittestress tegen kan gaan.”
Nijhuis: “Vloeivelden bieden een kans voor boeren, natuurorganisaties en bewoners van een regio om samen te werken aan duurzaam waterbeheer, natuurontwikkeling, vastleggen van stikstof en CO2, nieuwe teelten en alternatieve verdienmodellen. Dat kan de cohesie in een regio bevorderen en zorgen dat mensen minder zwart-wit naar de vraagstukken kijken.”