Menu Sluiten

Extremen raken elkaar

Na drie droge zomers in Nederland, met 2018 als onbetwist ‘hoogtepunt’, ligt in 2021 de nadruk tot nog toe (half augustus) niet op de droogte maar op de nattigheid, met de nationale ramp van juli in Limburg en delen van Brabant nog vers in het geheugen. Toch woeden amper duizend kilometer zuid-oostelijker in het Mediterrane gebied amper te bedwingen bosbranden in volle hevigheid.

De ramp in Limburg was ongekend, maar het komt vaker voor dat ‘s zomers zeer lokale hoosbuien grote wateroverlast geven. Eind juni dit jaar leidde een wolkbreuk al tot een modderstroom in Limburgse heuvels en kort ervoor stond de omgeving van Alkmaar deels onder water – dat terwijl bollenboeren in de Noord-Hollandse polders het weekend ervoor nog water uit sloten oppompten om hun dorstige gewassen te besproeien.

Van het ene op het andere moment draaide de pomprichting om: uit alle macht werd regenwater van akkers in sloten en via vaarten zo snel mogelijk richting zee gepompt.

Gezien over de wat langere termijn ervaren we dit jaar een matige zomer: wisselvallig met gemiddelde totalen aan zon en regen.

Maar dat brede matige beeld maskeert een aaneenschakeling van extreme pieken: heftige regen gevolgd door perioden van droogte. Beide passen binnen de voorspelde gevolgen van klimaatverandering: zondvloed en ‘zonvloed’ gaan elkaar steeds meer afwisselen.

Stuwtjes

De extremen raken elkaar, en precies daarin liggen de oplossingen voor een groot deel van het droogteprobleem en een groot deel van het probleem van de wateroverlast. Vang het overvloedige regen (en rivier)water op en zet het weg om het te gebruiken in tijden van droogte. De acute overlast wordt getemperd, terwijl we ondertussen een voorraad appeltjes aanleggen voor tijden van dorst.

Dergelijke oplossingen zijn er legio voorhanden op de kleine schaal, maar kunnen ook grootschalig worden toegepast. In het buitengebied, bij voorkeur zo hoog mogelijk kan met kleine stuwtjes water worden vastgehouden. Bij overvloedige regenval overstromen de oevers, wordt de sponswerking van de bodem verbeterd en kan de natte natuur profiteren. Boeren kunnen met dergelijke stuwtjes water rond hun percelen vasthouden. Als ze moeten ploegen, zaaien of maaien en het is nat op hun land, halen ze tevoren een plankje uit de stuw, of laten een skippybalachtige ballon in een duiker leeglopen. Ze doen hun werk en herstellen daarna deze aandoenlijk eenvoudige civieltechnische kunstwerken.

Waterhouderij

Een maatje groter is een waterhouderij, zoals die met succes in Noord-Brabant en in Zeeland is aangelegd. Het concept, bedacht door bureau Aequator Groen en Ruimte, is eigenlijk op te vatten als een soort stuwmeer, of eigenlijk twee meren. In Brabant is er ruimte voor 27 miljoen liter water.

Het bassin bestaat uit bloemrijk grasland met waterpartijen, in totaal tien voetbalvelden groot. Met leem verstevigde kades voorkomen dat water weglekt. Deze natuurlijke omgeving, met behalve bloemen en kruiden ook weidevogels en vissen, wordt gevoed met water uit een tweede, ernaast gelegen bergingsbassin. Dat vangt onder meer de regen op van de piekbuien van een nabijgelegen bedrijventerrein met grotendeels verhard oppervlak.

In 2019 ging de kraan van de waterhouderij tien keer open om de sloten en beken tot tien kilometer in de omgeving te vullen. Boeren mochten dat oppervlaktewater gebruiken om hun gewassen te beregenen. Waterschap Aa en Maas schat dat in het hele Oost-Brabantse stroomgebied vijf tot tien van dit soort waterhouderijen nodig zijn om het uit te zingen met de droogte. En je kunt mooi wandelen in dit waterbergingsgebied.

Ook in grote meren als het Volkerak-Zoommeer kan water hoger worden opgezet om het bij droogte in te zetten voor de landbouw, de natuur of – en in toenemende mate – om de oprukkende verzilting tegen te gaan. Met het water van het Brielse Meer wordt de verzilting in tuindersgebied het Westland bestreden.

En dan zijn er nog de kanalen die we voor wateropslag kunnen gebruiken. Nederland heeft 6.500 kilometer kanalen, waarvan twee vijfde niet meer wordt bevaren. Het opslagpotentieel is behoorlijk. Als in de winterpiek op het onbevaren deel, 2.600 kilometer, dertig centimeter rivierwater wordt binnengelaten, ontstaat een voorraad van naar schatting bijna acht miljoen kubieke meter.

En dan is er natuurlijk de ‘nationale regenton’ IJsselmeerwater, dat met 2.000 km² door flexibel peilbeheer in droge en zilte perioden ongeveer 400 miljoen kuub water beschikbaar maakt.

Grondwater

Spectaculair en nieuw is het idee om overvloedig water naar het diepe grondwater in zandgronden te pompen. Soms kan dat in zones waar de zandpakketten niet verzadigd zijn met water en waar dus ongeveer veertig procent van de ondergrondse ruimte vrij is voor de opslag van water. Op de Veluwe zou het kunnen, volgens het plan ‘Nationale Gieter’. Het grondwater zit er tussen de vijftien tot wel zeventig meter diep. Elke vierkante meter zandgrond kan 20.000 liter water bergen, blijkt uit berekeningen van waterkennisinstituut

Deltares. Dat water hoeft niet eens overvloedig regenwater te zijn, ook rivierwater is een mogelijkheid.

Want er komt in Nederland drie keer zoveel water via de rivieren binnen als via neerslag.

Het meeste van dit zoete water ligt binnen twee dagen in zee. Als we slechts een half procentje van dit water opslaan in de Veluwe, hebben we daar een voorraad van minstens 300 miljoen kubieke meter, zo redeneert Deltares. Evenveel als een behoorlijk drinkwaterbedrijf per jaar aan grondwater oppompt.

Dat is een mooie zoetwaterbel. Het plan is op te vatten als een ‘wateraccu’, die wordt geladen voor droge tijden. Met de opslag op de Veluwe kan de natuur het uitzingen bij droogte – zeker als de veel verdampende naaldbomen door loofbomen worden vervangen. Ook kunnen boeren dit water oppompen en kan een waterleidingsbedrijf als Vitens het gebruiken voor drinkwater.

Zo zijn er mogelijk andere zandige gebieden als de Utrechtse Heuvelrug en de Sallandse Heuvelrug die als wateraccu kunnen dienen.

Aloud voorbeeld zijn de Amsterdamse Waterleidingduinen die al sinds 1850 worden volgepompt met voorgezuiverd Rijnwater om daarna uit de Amsterdamse kranen te stromen.

Serieus nemen

Meer water tijdelijk vasthouden of opslaan vraagt evenwel niet om revolutionaire kennis of technologie: het is geen rocket science. Het zal zeker geld kosten, al is dat uiteindelijk waarschijnlijk veel minder dan wat het herstel van materiële schades ons anders de komende decennia zal kosten. Alleen in Valkenburg wordt de schade op 400 miljoen euro geschat.

Wat het vooral vraagt, is de wil en durf om de gevolgen van klimaatverandering serieus onder ogen te zien, zoals het recente rapport van het IPCC nog maar eens bepleit.

We moeten daarbij werk maken van een nationale waterregie, die meer moet inhouden dan de hierboven beschreven technische maatregelen. De grotere weerbaarheid tegen structurele droogte, bodemverzilting en -daling en extreme wateroverlast zullen fundamentele randvoorwaarden moeten worden voor de ruimtelijke ordening van Nederland. We moeten toe naar een meer rationeel watergebruik, inclusief hergebruik van gezuiverd afvalwater. Bovenal kan niet elke functie meer overal. Daarvoor zullen, naast euro’s, vooral ook nieuwe belangenafwegingen, nieuwe wetgeving en nieuwe bestuurlijke verhoudingen nodig zijn.